VvE Rechtspraak: Lid dient zicht te onthouden van onrechtmatige uitspraken

VvE Rechtspraak: Lid krijgt verbod op doen van onrechtmatige uitspraken over VvE en/of lid

 

Vonnis RECHTBANK ROTTERDAM

in de zaak van

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. M.E.H. Dumont te ‘s-Gravenhage,

tegen

de vereniging VERENIGING VAN EIGENAARS KOORNMARKT 20, 20A, 20B, 20C, 20D, 20E EN 20F, gevestigd te Delft, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. V.A. Nauta te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en VvE genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis 15 april 2015 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de brief van 10 augustus 2015 zijdens [eiser] met daarin de conclusie van antwoord in reconventie en met producties 7 tot en met 16;
  • het proces-verbaal van comparitie van 24 augustus 2015 en de daaraan gehechte brief van mr. Jentjens namens VvEvan 7 september 2015;
  • de akte na comparitie en mediation tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie van VvE, met producties 30 tot en met 37;
  • de antwoordakte tevens aanpassing van eis van [eiser] , zonder producties;
  • het ten behoeve van de pleidooien toegezonden productieoverzicht van VvE, met producties 38 tot en met 50;
  • de pleidooien gehouden op 25 augustus 2017 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen, zonder producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2 De feiten

2.1. [eiser] woont in een rijksmonument te Delft aan de Koornmarkt (hierna: het pand). In VvE zijn de eigenaars van de verschillende appartementsrechten, waaronder [eiser] , verenigd. Voorzitter van VvE is de heer [voorzitter VvE] .

2.2. Het pand was tot in 1993 eigendom van [eiser] en zijn echtgenote. Bij akte van 1 september 1993 is het pand gesplitst in appartementsrechten. In de splitsingsakte is opgenomen dat als reglement van splitsing zou gelden het reglement vastgesteld bij akte van 2 januari 1992, verleden voor de plaatsvervanger van mr. [persoon] te Rotterdam (hierna: het modelreglement), met enige wijzigingen. Artikel 37 lid 1 van het modelreglement houdt in dat besluiten van de vergadering van eigenaars bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden genomen. In de splitsingsakte staat dat aan dit artikel 37 lid 1 wordt toegevoegd:

“Indien en zolang de heer [eiser] en/of mevrouw [echtgenote van eiser] eigenaren zijn van één of meer van de onderhavige appartementsrechten kan geen besluit worden genomen omtrent alle onderwerpen, indien deze het desbetreffende voorstel niet goedkeuren.”

2.3. [eiser] en VvE verschillen sinds vele jaren van mening over de gang van zaken binnen de vereniging van eigenaars en het pand.

2.4. Eerder hebben VvE enerzijds en [eiser] en zijn echtgenote anderzijds een procedure gevoerd voor de kantonrechter te Delft. Deze procedure is doorverwezen naar mediation. De mediation is gevoerd door [eiser] en zijn echtgenote, [voorzitter VvE] en zijn echtgenote en VvE, en uitgemond in een vaststellingsovereenkomst tussen deze partijen van 25 april 2008 (hierna: de eerste vaststellingsovereenkomst).

2.5. De eerste vaststellingsovereenkomst luidde, voor zover relevant, als volgt:

“1. Zeggenschap/Vetorecht

Partij C [de heer en mevrouw [eiser] , rb.] doet afstand van zijn vetorecht zoals vermeld in de splitsingsakte van de VVE. Hiervoor in de plaats krijgt partij C het recht om, in geval van een ernstig bezwaar tegen een – voorgenomen – besluit van de VVE, de tussenkomst van een bindend adviseur in te roepen. Hierbij zal als eerste de heer mr ir [persoon] (…) benaderd worden. (…) De bindend adviseur zal een voor alle leden bindende beslissing nemen. De bindend adviseur zal uitsluitend een belangenafweging maken waarbij getoetst zal worden aan de hiernavolgende vragen:

  1. of het betreffende besluit in het belang van de VVEis,
  2. of het betreffende besluit in overeenstemming is met hetgeen is vastgelegd in de splitsingsakte, de daarbij behorende stukken, de statuten en een eventueel aanwezig of nog op te stellen huishoudelijk reglement,
  3. of in het besluit voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de individuele leden.

(…)

  1. Mediationclausule

Indien ten aanzien van de uitvoering van deze overeenkomst een meningsverschil mocht ontstaan dat niet in onderling overleg kan worden opgelost, dan zullen partijen zich allereerst gezamenlijk wenden tot een conflictbemiddelaar (mediator) alvorens gerechtelijke stappen jegens elkaar te ondernemen.”

2.6. Op 20 januari 2014 schreef [eiser] aan het bestuur en de overige leden van VvE onder meer:

“Ondanks herhaalde door mij aangevoerde bezwaren, zelfs per aangetekend schrijven (…), lijkt door het bestuur onder leiding van de belanghebbende voorzitter van de VvE tot een zeer uitgebreide en naar mijn mening onjuiste, verdacht veel te dure en de authenticiteit van de kelders verwoestende restauratie met doorberekening aan de VvE over te gaan. In dit schrijven verzoek ik ook aan de heer (lid VvE, rb.), die als agent van politie, tegen bedenkelijke zaken als deze in het bijzonder behoort op te treden, melding ervan te maken. Ik geef voldoende mogelijkheden aan: Meld misdaad anoniem, Fraude meldpunt en Pub Leaks. Overigens zonder resultaat. De medewerking van de heer (lid VvE, rb.) is ook gekocht; zie boven.

(…)

Opvallend is verder, dat de gerechtsdienares / griffier, mevrouw (lid Vve, rb.), instemt met de fraude. Misschien moet zij aan haar superiores eens vragen of dit voor haar in haar functie een juiste houding is. Ik kan dat natuurlijk ook voor haar doen.”

2.7. Op 16 juli 2014 heeft de advocaat van [eiser] mr. ing. [persoon] benaderd om op te treden als bindend adviseur ter zake van een twaalftal door [eiser] benoemde punten. VvE heeft daaraan niet willen meewerken op de grond dat voor deze procedure gelet op de inhoud van de eerste vaststellingsovereenkomst (nog) geen aanleiding bestond.

Partijen hebben in oktober 2014 nog getracht de eerdere mediator tot een uitspraak over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst te bewegen maar deze bleek daartoe niet bereid.

[eiser] is blijven aandringen op inschakeling van [persoon] maar VvE heeft daarmee niet ingestemd.

2.8. Vervolgens is de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Naar aanleiding van de comparitie op 24 augustus 2015 hebben partijen nogmaals mediation doorlopen, hetgeen is uitgemond in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de tweede vaststellingsovereenkomst) van 3 december 2015, die voor zover relevant inhoudt:

  • per direct vervalt artikel 1 van de eerste vaststellingsovereenkomst en daarvoor in de plaats geldt het bepaalde in de tweede vaststellingsovereenkomst;
  • voorstellen voor ter vergadering te nemen besluiten worden door de voorzitter van het bestuur van VvEeen maand vóór de vergadering aan [eiser] toegezonden;
  • een week voor de vergadering kan [eiser] zich met een voorgenomen besluit akkoord of niet akkoord verklaren;
  • als [eiser] tegen een voorgenomen besluit stemt en dit wordt ter vergadering toch aangenomen, dan mag [eiser] dit besluit, indien hij daartegen ernstig bezwaar heeft, laten toetsen door een bindend adviseur, te weten [persoon] of een door partijen of deze rechtbank te benoemen ander.

2.9. Partijen zijn nadien wederom in conflict gekomen over diverse onderwerpen. Aanleiding daarvoor was onder meer het door [eiser] uit eigen beweging benaderen van een makelaar, [Makelaar] , waarmee één van de leden van VvE in contact was getreden met betrekking tot de voorgenomen verkoop van zijn appartementsrecht. [eiser] heeft aan deze makelaar op 18 augustus 2016 onder meer geschreven:

“Uit passerende post begrijp ik dat (lid VvE, rb.) met U contact heeft en ik ga ervan uit dat dit te maken heeft met een eventuele verkoop of verhuur van zijn appartement.

In dit verband wil ik U erop attenderen dat er een civiele – en strafechtelijke procedure loopt tegen de van oplichting en fraude verdachte voorzitter van het bestuur, Mischgofksy.

(…)

Uit bijgevoegde Vaststellingsovereenkomst, blijkt dat voor iedere bestuursbeslissing een maand tevoren mijn toestemming gevraagd dient te worden.

Het moge duidelijk zijn dat ik dan de eventuele koper of huurder wens te zien.

Ik zal dan bij deze ontmoeting, in het belang van de VvE, uitvoerig ingaan op de onderhavige procedures en de aspirant koper/huurder verzoeken zich op passende wijze in dit geschil op te stellen. Hetzelfde zal ik verlangen van (lid VvE, rb.).

(…)

Het moge duidelijk zijn dat ik ingeval deze regels niet nageleefd worden, ik de rechter in kort geding zal verzoeken de koop-/huur overeenkomst ongeldig te verklaren.”

2.10. Naar aanleiding van deze mededelingen van [eiser] heeft hij aan (onder meer) het betrokken lid van de VvE onder meer geschreven:

“Misschien kun je als je zo doorgaat je appartement wel verkopen in 2025.”

“Graag ontvang ik van iedereen, ook [voorzitter VvE] , bericht dat zij bij eventuele verkoop of verhuur zullen handelen volgens de in de Vaststellingsovereenkomst overeengekomen afspraken, anders ben ik genoodzaakt de brief die ik naar Berg Klis heb gestuurd te verzenden aan alle makelaars en verhuurbedrijven in Delft en omgeving.”

“Ik heb de pech gehad een oplichter/fraudeur toe te laten tot het appartementencomplex, die kans gezien heeft een grote schare medeplichtigen om zich heen te verzamelen. Ik zal dus aan het eind van de week handelen zoals ik al schreef, tenzij [voorzitter VvE] handelt zoals ik gevraagd heb. Nogmaals: ik sta alleen koop of verhuur toe als ik persoonlijk contact gehad heb met de nieuwe eigenaar en deze duidelijk schriftelijk te kennen heeft gegeven dat hij of zij zich distantieert van de kwalijke praktijken van [voorzitter VvE] en zijn trawanten.

In de oorlog had je NSB’ers en meelopers. In dit appartementencomplex is hetzelfde aan de hand. Ik zal niet toestaan dat (…) de misdaad hoogtij viert.”.

“Indien jij met [voorzitter VvE] en de anderen, volhardt in criminaliteit zal ik mij genoodzaakt zien een bericht, overeenkomstig met hetgeen ik schreef aan Berg Klis te zenden naar de makelaars Silfhout en Hoogentoom, Bayense, Björn en Van Daal en aan verhuurbedrijf Rotsvast.”

2.11. Bij e-mail van 7 oktober 2016 heeft [eiser] aan diverse makelaars, notarissen en een verhuurbedrijf onder meer geschreven:

“Waarschijnlijk in imitatie van hetgeen in de grote bouwfondsen heeft plaatsgevonden heeft de voorzitter van het bestuur, de heer [persoon] , door middel van nietige besluiten (…) medestanders gekocht door hen en zichzelf voor een aanzienlijk bedrag te verrijken.

Er loopt een civiele procedure tegen [voorzitter VvE] en zijn trawanten.

Verder beschik ik (…) over een Vaststellingsovereenkomst die mij bepaalde rechten geeft (…) en waarvan een eventuele koper ook op de hoogte gesteld dient te worden.

Naar mijn mening dient in een open gesprek van verkoper en aspirant koper, voordat de koop gesloten wordt, een en ander besproken te worden omdat anders misleiding in het spel is, hetgeen als crimineel moet worden aangemerkt. Desgewenst kan ik bij dit gesprek aanwezig zijn.”

 

3 Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis en na verduidelijking ter comparitie, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat VvEtoerekenbaar tekort is geschoten door het voortdurend in 2014 onthouden van medewerking aan het in het lichaam van de dagvaarding en productie 6 en 7 weergegeven bindend-adviestraject, waarbij [persoon] beslist als een goede man naar billijkheid, “ex aequo et bono”,
  2. VvEveroordeelt tot het geven van medewerking aan het hiervoor bedoelde bindend-adviestraject, waarbij [persoon] beslist als een goede man naar billijkheid, “ex aequo et bono”, zulks binnen drie dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en wel op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (gedeeltelijke) dag dat VvE daarmee weigerachtig blijft,
  3. VvEveroordeelt in de kosten van het geding en bepaalt dat indien en voorzover deze kosten niet binnen uiterlijk zeven dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan VvE in verzuim is en de wettelijke rente over de proceskosten aan [eiser] is verschuldigd,
  4. VvEveroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de nakosten, met rente daarover indien en voorzover deze kosten niet binnen uiterlijk zeven dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan,

en voorts om:

  1. een accountantsonderzoek te gelasten van de boekhouding van VvE,
  2. te gelasten dat [voorzitter VvE] en de overige leden van VvE, met name [VVELid], de ontvreemde gelden terugstorten op de rekening van VvE,
  3. te gelasten dat [voorzitter VvE] zijn voorzitterschap opgeeft en tenminste één stem in het stemrecht inlevert, en indien voor dit laatste een statutenwijziging nodig is, dit aan VvEte gelasten,
  4. te gelasten dat de volgende punten aan een arbiter zoals omschreven in de vaststellingsovereenkomst worden voorgelegd voor een bindend advies:
  5. vergoeding te betalen aan [eiser] voor de werkzaamheden door hem verricht aan de gezamenlijke tuin,
  6. aanbrengen van een driepuntslot in de voordeur,
  7. vergoeding aan [eiser] voor de door hem gedurende tientallen jaren verrichte schoonmaak van hal en trappenhuis,
  8. vergoeding aan [eiser] voor de door hem geleverde energiekosten aan VvE,
  9. in orde maken van de marmeren vloer op de begane grond en dan tevens het gezamenlijke riool repareren.

3.2. VvE voert verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na vonnisdatum, indien en voor zover [eiser] deze kosten niet voordien heeft voldaan.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. VvE vordert na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [eiser] gebiedt zich te onthouden van schriftelijke en/of mondelinge lasterlijke, beledigende en/of overigens onrechtmatige uitspraken over VvEen/of de afzonderlijke VvE-leden, waaronder doch niet beperkt tot uitspraken die ten onrechte doen voorkomen alsof hij een vetorecht zou hebben ten aanzien van besluiten van VvE en/of van het VvE-bestuur, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,00 voor elke keer dat aan een (rechts)persoon, of ongericht aan niemand in het bijzonder, een dergelijke uitspraak wordt gedaan, met een maximum van € 20.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom,
  2. de vaststellingsovereenkomst vernietigt, onder de voorwaarde dat de vaststellingsovereenkomst van 25 april 2008 of het vetorecht in de splitsingsakte daarna niet geldend zijn, althans de vaststellingsovereenkomst wijzigt, zodat geen enkel VvE-lid een bijzonder recht toekomt met betrekking tot het aanvechten van besluiten door toetsing door een bindend adviseur,
  3. [eiser] gebiedt te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van het bepaalde in artikelen 9, 12 en 16 van het modelreglement, althans 38 van het modelreglement, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,00 voor iedere dag dat [eiser] hiermee na betekening van een toewijzend vonnis in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00, althans een in redelijkheid te bepalen bedrag,
  4. [eiser] veroordeelt tot betaling aan VvEvan € 7.159,74 vermeerderd met de eventueel toekomstige achterstallige VvE-bijdragen vanaf 1 september 2016, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2016,
  5. [eiser] veroordeelt tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na vonnisdatum, indien en voor zover [eiser] deze kosten niet voordien heeft voldaan.

3.5. [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. [eiser] beroept zich voorts primair op verrekening en subsidiair op opschorting.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4 De beoordeling

in conventie

4.1. [eiser] heeft bij antwoordakte tevens aanpassing van eis zijn eis gewijzigd. VvE heeft daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten. Ter zitting is namens [eiser] de gewijzigde vordering nader verduidelijkt. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde en verduidelijkte eis in conventie, zoals weergegeven onder 3.1.

4.2. Ter gelegenheid van de pleidooien zijn namens [eiser] zonder aankondiging vooraf nog verdere eiswijzigingen naar voren gebracht. Daartegen is door VvE wel bezwaar gemaakt en ook de rechtbank acht deze laattijdige en onaangekondigde eiswijzigingen in strijd met de goede procesorde omdat daarover geen goed debat meer mogelijk is geweest. Zij laat deze daarom buiten beschouwing.

vorderingen (a) en (b) ter zake van een bindend-adviesprocedure

4.3. Onder (a) vordert [eiser] een verklaring voor recht dat VvE in 2014 is tekort geschoten om mee te werken aan bindend advies door [persoon] . Onder (b) vordert [eiser] veroordeling van VvE om alsnog aan een bindend-adviestraject mee te werken. Op grond van welke omstandigheden VvE in 2014 gehouden was en thans gehouden is om mee te werken aan bindend advies door [persoon] , en waarop die procedure concreet betrekking zou moeten hebben, heeft [eiser] in de dagvaarding niet deugdelijk toegelicht. Ook nadat de tweede vaststellingsovereenkomst de eerste vaststellingsovereenkomst had doen vervallen is een deugdelijke toelichting op de vordering uitgebleven, terwijl dit wel van [eiser] mocht worden verwacht.

[eiser] dient als eiser zijn vorderingen te gronden op heldere en toetsbare stellingen en deze te onderbouwen met producties, waarvan hij begrijpelijk moet aanduiden welke delen daarvan relevant zijn voor zijn verschillende vorderingen. Hij kan niet volstaan met een verwijzing naar producties. Het is niet de taak van de rechtbank om uit producties te destilleren welke stellingen [eiser] had kunnen en moeten innemen ter motivering van zijn vorderingen. Voor zover de nieuwe feitelijke stellingen bij pleidooi mede strekken ter onderbouwing van de vorderingen (a) en (b) zijn deze te laat ingenomen en te weinig concreet in verband gebracht met deze vorderingen om als deugdelijke motivering te kunnen dienen. Vorderingen (a) en (b) zullen als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

vorderingen (1) en (2) ter zake van accountantsonderzoek en terugbetaling

4.4. [eiser] vordert onder (1) dat de rechtbank een accountantsonderzoek gelast, en onder (2) dat [voorzitter VvE] en de andere VvE-leden worden gelast om van VvE ontvreemde gelden op de rekening van VvE terug te storten.

4.5. Naar de rechtbank uit de stellingen en stukken begrijpt, beschuldigt [eiser] [voorzitter VvE] ervan dat hij in zijn rol van voorzitter van het VvE-bestuur fraude heeft gepleegd door VvE ertoe te bewegen om financiële beslissingen te nemen die in het nadeel van VvE zijn, althans onevenredig in het voordeel van [voorzitter VvE] en [VVE Lid]. Kennelijk doelt [eiser] op door VvE genomen besluiten om bepaalde kosten of werkzaamheden voor haar rekening te nemen, waarmee [eiser] het niet eens was en is. [voorzitter VvE] zou ‘illegaal’ een bedrag van ruim € 8.500,00 toebedeeld hebben gekregen, [VVE Lid] bijna € 6.000,00 en andere VvE-leden bedragen van circa € 200,00 of € 400,00.

VvE heeft onbestreden verduidelijkt dat het gaat om uitgaven uit 2002, 2003 en 2008. Ook onbetwist is haar standpunt dat jaarlijks uit leden van VvE een kascommissie is benoemd die de jaarrekening heeft gecontroleerd, en dat na het verslag van de kascommissie steeds met volstrekte meerderheid décharge is verleend aan de penningmeester van VvE, en dat [eiser] steeds verslagen en uitgaven heeft kunnen inzien en tegen besluiten heeft kunnen opkomen maar dit niet heeft gedaan. Ook heeft VvE gesteld dat eventuele rechten ter zake van de uitgaven uit 2002 en 2003 inmiddels zijn verjaard, hetgeen niet is bestreden.

4.6. Van vordering (a) om een accountantsonderzoek te gelasten is onduidelijk waarop deze is gebaseerd en op welke rechtsnorm [eiser] zich beroept, zoals VvE bij pleidooi terecht heeft opgemerkt. Ook hier behelzen de processtukken van [eiser] echter meer een verontwaardigd relaas dan een geordend juridisch betoog met duidelijke en toetsbare stellingen in een herkenbaar kader.

Pas bij pleidooi heeft [eiser] enigermate uitgewerkte feitelijke stellingen ingenomen ter ondersteuning van zijn vordering (b) en indirect vordering (a). Dat is te laat om nog een deugdelijk debat daarover mogelijk te maken. De rechtbank gaat aan deze nieuwe feitelijke stellingen voorbij.

Vordering (a) zal als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

4.7. Vordering (b) strekt tot veroordeling van individuele VvE-leden, terwijl deze niet als partij aan de procedure deelnemen. Reeds hierom moet vordering (b) worden afgewezen.

vordering (3) met betrekking tot [voorzitter VvE]

4.8. [eiser] vordert dat de rechtbank gelast dat [voorzitter VvE] zijn voorzitterschap van het VvE-bestuur en tenminste één stem(recht) opgeeft. [voorzitter VvE] is echter geen partij in deze procedure zodat de vordering moet worden afgewezen.

vordering (4) met betrekking tot bindend advies over diverse geschilpunten

4.9. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering (4), te gelasten dat diverse geschilpunten – betaling voor verrichte tuiniers- en schoonmaakwerkzaamheden, vergoeding van energiekosten, plaatsing van een slot, reparatie van marmeren vloer en riool – aan een arbiter voor bindend advies worden voorgelegd, alleen gesteld dat hij deze wil laten bezien door een arbiter in verband met de vaststellingsovereenkomst. Daarmee kan hij niet volstaan, op gelijke gronden als genoemd in r.o. 4.3. De vordering zal als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

De vorderingen (c) en (d) met betrekking tot proceskosten en nakosten

4.10.

De nevenvorderingen delen het lot van de hoofdvorderingen.

de proceskosten

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten die VvE in conventie heeft moeten maken. Deze worden begroot op:

– griffierecht € 608,00

– salaris advocaat € 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.642,00

in reconventie

4.12. VvE heeft haar eis gewijzigd. [eiser] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis in reconventie, zoals weergegeven onder 3.4.

vordering (a): een gebod zich te onthouden van bepaalde uitspraken

4.13. VvE vordert onder (a) dat de rechtbank [eiser] gebiedt zich te onthouden van lasterlijke, beledigende en/of overigens onrechtmatige uitspraken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

VvE heeft een aantal uitspraken van [eiser] aangehaald, waaronder die welke zijn weergegeven onder 2.6, 2.9 tot en met 2.11 en gesteld dat deze oneigenlijke druk inhouden en bedreigend, lasterlijk, en ook overigens onrechtmatig zijn, onder meer omdat zij in strijd zijn met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. De uitlatingen van [eiser] hebben tot gevolg dat het beslissen over en inhuren van derden voor noodzakelijk onderhoud ernstig wordt belemmerd, maken deelname aan het bestuur van VvE – vooral als secretaris – zeer onaantrekkelijk, schaden het vertrouwen van potentiële kopers in VvE en brengen de voortzetting van VvE en de toekomst van het gebouw in gevaar, aldus VvE.

4.14. [eiser] betwist niet dat hij de gestelde uitlatingen heeft gedaan maar beschouwt deze als constateringen van feiten, humoristisch gebrachte adviezen en passende waarschuwingen, waarbij hij erop wijst dat iedere Nederlander de plicht heeft misdaad te voorkomen en gepleegde misdaden te melden. Hij acht het “gezien de criminele inslag van [voorzitter VvE]” van groot belang inspraak te hebben in de toelating van een nieuwe bewoner omdat “als er een koper toegelaten wordt op instigatie van een corrupt bestuur (…) de kans groot [is] dat er weer een crimineel toegelaten wordt”. Hij betwist dat zijn uitlatingen onrechtmatig zijn en bestrijdt ook de gestelde gevolgen daarvan.

4.15. Uit de overgelegde stukken rijst het beeld van een vereniging van eigenaars die op zichzelf goed lijkt te functioneren, en waarin leden en bestuur op een beleefde toon en met begrip over en weer communiceren. [eiser] vormt daarop echter een uitzondering. Hij laat zich beledigend en laatdunkend uit, vooral over [voorzitter VvE] die hij in scherpe bewoordingen van fraude en ander crimineel gedrag beticht. De stukken maken voorts duidelijk dat de besluitvorming binnen de vereniging door [eiser] ernstig wordt belemmerd, waarbij hij aanspraak maakt op meer of andere rechten dan aan hem toekomen. Niet betwist is verder dat [eiser] eigengereid aanpassingen heeft gedaan aan de tuin en zonder overleg eigen meubels in de hal heeft geplaatst en weigert deze weg te halen als de (andere leden van de) VvE daarop aandringen (daarover in r.o. 4.23 e.v. meer).

Ook ter zitting is door VvE onweersproken verklaard hoe andere bewoners zich in hun woongedrag aanpassen om contact met [eiser] te vermijden, en dat boekdelen spreekt dat een bewoner met stille trom en zonder achterlating van een adres is verhuisd.

Ook indien aan [eiser] bijzondere rechten toekomen geeft dit hem niet de bevoegdheid om zich op te stellen als ware hij de huisbaas en de andere leden slechts huurders. Dat [eiser] , zoals hij bij herhaling aanvoert, het pand eigenhandig heeft gerestaureerd en in appartementen heeft doen splitsen, ontslaat hem niet van de plicht om binnen en buiten de vereniging van eigenaars de grenzen van het betamelijke te respecteren en zich rekenschap te geven van de gerechtvaardigde belangen van de andere leden van VvE. Alle leden hebben er belang bij om hun gemeenschappelijk eigendom deugdelijk te kunnen onderhouden en daarin prettig te kunnen wonen. Er zijn grenzen aan hoe vrijelijk [eiser] zijn mening mag uiten over VvE en haar leden. Dat geldt zeker ook in het verkeer met derden: het zonder goede grond – in conventie is reeds geoordeeld dat van een goede grond niet is gebleken – aan makelaars en notarissen schrijven dat VvE kampt met fraude en oplichting en dat er procedures lopen tegen haar voorzitter, is onrechtmatig en evident schadelijk. Het maakt de appartementen van de leden van VvEnagenoeg onverkoopbaar en drukt de waarde ervan.

4.16. De rechtbank zal het gevraagde gebod toewijzen zoals verzocht. Gelet op het structurele karakter van de uitlatingen en de niet van inkeer of inschikkelijkheid getuigende proceshouding van [eiser] op dit punt acht de rechtbank het passend om hieraan een dwangsom te verbinden. Nu [eiser] noch de oplegging noch de hoogte van de gevorderde dwangsom heeft bestreden zal deze worden toegewezen zoals verzocht.

vordering (b) tot vernietiging of wijziging van de vaststellingsovereenkomst

4.17. Onder (b) vordert VvE primair dat de tweede vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd onder de voorwaarde dat de eerste vaststellingsovereenkomst of het vetorecht in de splitsingsakte daarna niet geldend zijn.

Deze vordering kan niet worden toegewezen. Indien de rechtbank de overeenkomst zou vernietigen, herleeft de rechtstoestand die bestond voordat de tweede vaststellingsovereenkomst werd gesloten. Het recht laat geen ruimte voor een vernietiging van de overeenkomst op de door VvE beoogde voorwaarde.

Nu VvE uitdrukkelijk niet wenst dat de tweede vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd zonder dat aan haar voorwaarde is voldaan, zal de rechtbank deze vordering opvatten als een voorwaardelijke vordering. Nu aan de voorwaarde voor het instellen daarvan niet is voldaan komt de rechtbank aan toe- of afwijzing daarvan niet toe.

4.18. Subsidiair vordert VvE dat de rechtbank de vaststellingsovereenkomst wijzigt, zodat geen enkel VvE-lid een bijzonder recht toekomt met betrekking tot het aanvechten van besluiten door toetsing door een bindend adviseur.

Uit de toelichting op deze vordering blijkt dat VvE op de eerste plaats beoogt dat de rechtbank de artikelen 1 tot en met 9 van de tweede vaststellingsovereenkomst wijzigt in:

“Vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst vervalt het bepaalde in artikel 1 van de Vaststellingsovereenkomst [van 25 april 2008] en geldt daarvoor in de plaats het volgende. Geen enkel VvE-lid komt een bijzonder recht toe ten aanzien van door de VvE te nemen of genomen besluiten.”

Mocht de rechtbank dit niet doen, dan beoogt VvE wijziging in door de rechtbank te kiezen andere bewoordingen.

Met haar tekstvoorstel verzoekt VvE de rechtbank om in te grijpen zowel in de tweede als in de eerste vaststellingsovereenkomst. Hieraan staat in de weg dat bij de eerste vaststellingsovereenkomst ook de heer en mevrouw [voorzitter VvE] partij zijn, terwijl zij niet als partij deelnemen aan deze procedure. Het eerste alternatief kan dus niet worden toegewezen.

4.19. Aldus rijst de vraag of de rechtbank de tweede vaststellingsovereenkomst kan wijzigen in andere bewoordingen.

Dit kan niet op de door VvE aangevoerde grondslag, artikel 7:904 lid 2 BW. Deze bepaling voorziet niet in de mogelijkheid van wijziging van een vaststellingsovereenkomst door de rechter. De bepaling voorziet alleen in het nemen van een – vervangende – beslissing door de rechter indien, kort gezegd, een vaststellingsovereenkomst voorziet in het verkrijgen van een beslissing van een partij of van een derde maar deze beslissing vernietigd wordt, nietig blijkt of niet binnen een te stellen redelijke termijn wordt verkregen. Dat dit geval zich voordoet is gesteld noch gebleken.

4.20. De rechtbank is echter gehouden om de rechtsgronden van de vordering aan te vullen. Er zijn voldoende feiten gesteld en gebleken om artikel 6:259 BW toe te passen.

Deze bepaling luidt, voor zover relevant:

“1. Indien een overeenkomst ertoe strekt een rechthebbende op of een gebruiker van een registergoed als zodanig te verplichten tot een prestatie (…), kan de rechter op zijn verlangen de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden:

  1. indien ten minste tien jaren na het sluiten van de overeenkomst zijn verlopen en het ongewijzigd voortduren van de verplichting in strijd is met het algemeen belang;
  2. indien de schuldeiser bij de nakoming van de verplichting geen redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang zal terugkeren.
  3. Voor de termijn vermeld in lid 1 onder a telt mee de gehele periode waarin rechthebbende op of gebruikers van het goed aan een beding van dezelfde strekking gebonden zijn geweest. (…)”

4.21. In dit geval doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 6:259 BW. In VvE zijn de eigenaren van de registergoederen Koornmarkt 20, 20A, 20B, 20C, 20D, 20E en 20F te Delft verenigd. VvE vordert dat zij wordt ontheven van haar verplichtingen, neergelegd in de tweede vaststellingsovereenkomst, om in de vergadering van eigenaars te nemen besluiten vooraf voor te leggen aan [eiser] en om genomen besluiten waarmee [eiser] niet instemt achteraf door middel van bindend advies te doen toetsen. Deze afspraken uit 2015 strekken ter vervanging van in 2008 gemaakte maar niet werkbaar gebleken afspraken en die afspraken strekten ter vervanging van het in 1993 in de splitsingsakte aan [eiser] en wijlen zijn echtgenote toegekende vetorecht ten aanzien van alle door de vergadering van eigenaars te nemen besluiten ten aanzien van het appartementencomplex.

Uit hetgeen in r.o. 4.15 is overwogen en uit de vastgestelde feiten blijkt afdoende dat VvE al jarenlang in een impasse verkeert. De besluitvorming, ook ten aanzien van noodzakelijk onderhoud aan het gebouw, is door de aan [eiser] toegekende rechten en zijn wijze van gebruikmaking daarvan feitelijk geblokkeerd, met een achteruitgang van het pand als te verwachten – en mogelijk reeds ingetreden – gevolg. Een ander gevolg van het vetorecht c.q. de ter vervanging daarvan gemaakte afspraken is dat de verhoudingen tussen [eiser] en de andere leden van VvE ernstig zijn verstoord, en zowel deze verstoorde verhoudingen als het door [eiser] jegens derden inroepen van zijn vermeende rechten – ook ten aanzien de komst van nieuwe bewoners – werken afschrikwekkend op potentiële kopers van appartementsrechten in het pand. Dit zal de waarde van deze appartementsrechten, en mogelijk ook van omliggende registergoederen, negatief beïnvloeden.

Voorts oordeelt de rechtbank dat [eiser] bij de nakoming van de afspraken in de tweede vaststellingsovereenkomst geen redelijk belang meer heeft, terwijl evenmin aannemelijk is dat dit belang zal terugkeren. Dat deze afspraken ten voordele van [eiser] strekken staat buiten twijfel. Dit betekent echter niet dat hij met de uitoefening daarvan een redelijk belang dient.

Hierbij acht de rechtbank van belang dat het in de splitsingsakte opgenomen vetorecht op gespannen voet staat met het VvE-rechtelijke stelsel, waarin iedere appartementseigenaar door middel van het uitoefenen van zijn stemrecht moet kunnen deelnemen aan de besluitvorming en daadwerkelijk voor zijn belang moet kunnen opkomen. Om deze reden is zeer twijfelachtig of het beding in de splitsingsakte als geoorloofd beding kan worden beschouwd – maar die vraag is niet aan de rechtbank voorgelegd in deze procedure – en of, indien dat niet zo is, de grondslag ontvalt aan de daarop voortbouwende afspraken in de eerste en tweede vaststellingsovereenkomst.

4.22. Op deze gronden zal de rechtbank onder toepassing van artikel 6:259 BW de gevolgen van de tweede vaststellingsovereenkomst wijzigen, aldus dat VvE aan de voor haar daaruit voortvloeiende verplichtingen geen verder gevolg hoeft te geven. Vordering (b) zal aldus worden toegewezen.

vordering (c) tot naleving van artikelen 9, 12 en 16, althans artikel 38, van het modelreglement

4.23. Onder (c) vordert VvE dat de rechtbank [eiser] gebiedt om te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van het bepaalde in artikelen 9, 12 en 16 van het modelreglement, althans 38 van het modelreglement, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Blijkens de toelichting op deze vordering gaat het concreet om het op eigen kosten herstellen van de aanpassingen die [eiser] zonder raadpleging en toestemming van VvE heeft gedaan aan het gemeenschappelijke deel van de tuin en om het weghalen van Oosterwijks privéspullen uit de gemeenschappelijke gedeelten van het pand, waaronder de hal en de meterkastruimte.

4.24. Dat [eiser] zonder raadpleging en toestemming van VvE aanpassingen heeft gedaan aan het gemeenschappelijke deel van de tuin is niet betwist. [eiser] heeft aangevoerd dat hij volgens hemzelf noodzakelijke aanpassingen heeft gemaakt in de tuin en daarover overleg heeft gepleegd met twee medebewoonsters omdat “ieder contact hierover met het bestuur onder leiding van [voorzitter VvE] uitsluitend tot een negatief resultaat zou hebben geleid”. Van toestemming van de vergadering is niets gebleken.

Niet in geschil is dat een eigenaar zonder toestemming van de vergadering geen veranderingen mag aanbrengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, en dat de eigenaar die schade toebrengt aan de gemeenschappelijke gedeelten daarvoor aansprakelijk is tegenover de andere eigenaars (artikelen 9 en 16 modelreglement).

4.25. Dat artikel 12 modelreglement iedere eigenaar verplicht om zich te onthouden van het plaatsen van voorwerpen op plaatsen die hiervoor niet bestemd zijn, is niet in geschil.

Niet betwist is dat er zaken van [eiser] in de meterkastruimte zijn geplaatst. Erkend is dat [eiser] in ieder geval in de hal en het trappenhuis van het pand privémeubelen heeft geplaatst en deze niet heeft willen weghalen, ondanks verzoeken daartoe. Volgens [eiser] heeft hij “om de aandacht af te leiden van het gebrekkige onderhoud” en om “de hal een huiselijk en zeer waardevol aspect te geven” een bank, een kist, een klok, schilderijen, prenten en spiegels geplaatst waarvan “een cultuurbarbaar zoals [voorzitter VvE] (…) de waarde niet inziet”. Deze visie van [eiser] biedt echter geen rechtvaardiging om zonder instemming van VvE eigen meubelen en decoratie te plaatsen in de gemeenschappelijke gedeelten.

4.26. De vorderingen onder (c) zullen om deze redenen worden toegewezen, met dien verstande dat het gebod zal worden gespecificeerd tot het door VvE concreet aan de orde gestelde en niet een algemeen gebod zal zijn om genoemde bepalingen in het reglement na te leven. Gelet op de vasthoudendheid waarmee partijen in conflict zijn zal ook de gevorderde dwangsom worden toegewezen, maar gemaximeerd tot € 5.000,00 in totaal. Aan [eiser] dient een redelijke termijn te worden gegund om het gebod uit te (laten) voeren, zodat de dwangsom zal ingaan op 2 januari 2018.

vordering (d) tot betaling achterstallige bijdragen

4.27.

Onder (d) vordert VvE veroordeling van [eiser] tot betaling aan VvE van € 7.159,74 vermeerderd met de eventueel toekomstige achterstallige VvE-bijdragen vanaf 1 september 2016, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2016.

4.28.

[eiser] betwist de achterstand niet maar voert aan dat hij de achterstand heeft laten ontstaan omdat hij recht heeft op vergoeding van een deel van zijn energiekosten en voor in het verleden verrichte werkzaamheden voor VvE. Daarnaast stelt hij liquiditeitsproblemen te hebben.

De vordering ter zake van energiekosten is niet voldoende duidelijk onderbouwd om in rekening te kunnen worden gebracht, voor zover dit verweer al voldoende herkenbaar is gevoerd. Ook overigens is het beroep op verrekening en opschorting onvoldoende onderbouwd.

Het niet beschikken over voldoende liquide middelen staat niet aan toewijzing in de weg.

4.29. Ook deze vordering zal worden toegewezen als verzocht.

de proceskosten

4.30.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten die VvE in reconventie heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 2.034,00 aan salaris advocaat (4,5 punten × factor 1,0 × tarief € 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvE tot op heden begroot op € 2.642,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, indien en voorzover [eiser] deze kosten niet voordien heeft voldaan,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. gebiedt [eiser] om zich te onthouden van schriftelijke en/of mondelinge lasterlijke, beledigende en/of overigens onrechtmatige uitspraken over VvE en/of de afzonderlijke VvE-leden, waaronder doch niet beperkt tot uitspraken die ten onrechte doen voorkomen alsof hij een vetorecht zou hebben ten aanzien van besluiten van VvE en/of van het VvE-bestuur, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,00 voor elke keer dat aan een (rechts)persoon, of ongericht aan niemand in het bijzonder, een dergelijke uitspraak wordt gedaan, met een maximum van € 20.000,00;

5.5. wijzigt de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst van 3 december 2015 aldus, dat VvE aan de voor haar daaruit voortvloeiende verplichtingen geen verder gevolg hoeft te geven;

5.6. gebiedt [eiser] om de aanpassingen die hij zonder raadpleging en toestemming van VvE heeft gedaan aan het gemeenschappelijke deel van de tuin op eigen kosten te herstellen en om zijn privéspullen uit de gemeenschappelijke gedeelten van het pand, waaronder de hal en de meterkastruimte, te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,00 voor iedere dag dat [eiser] daarmee na 1 januari 2018 in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00;

5.7. veroordeelt [eiser] om aan VvE te betalen een bedrag van € 7.159,74 (zevenduizendéénhonderdnegenenvijftig euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de achterstallige bijdragen vanaf 1 september 2016 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 september 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.8. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvE tot op heden begroot op € 2.034,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, indien en voor zover [eiser] deze kosten niet voordien heeft voldaan,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2017.

1977/1885

Bron: Rechtspraak.nl

Tags:
0 Comments

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Neem contact op met VvE Centraal

U kunt dit formulier gebruiken om contact op te nemen met VvE Centraal

Sending

wit logo-01

©2017 VvE Centraal, onderdeel van Blue Orange Participaties B.V.

Log in with your credentials

or    

Forgot your details?

Create Account