VvE Rechtspraak: Vordering gedeeltelijke ontbinding koopovereenkomt betreffende onverdeeld aandeel in mandelig gebied

VvE Rechtspraak: Vordering gedeeltelijke ontbinding koopovereenkomt betreffende onverdeeld aandeel in mandelig gebied

Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

arrest van 19 december 2017 in de zaak van

1 [appellant1] , wonende te [A] , hierna: [appellant1], 2. [appellante2] , wonende te [A] , hierna: [appellante2] appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eisers, en 3[appellant3] ,wonende te [A] , hierna: [appellant3], 4. [appellante4] , wonende te [A] , hierna: [appellante4] appellanten in het principaal hoger beroep, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 1  t/m 4] c.s., advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck, kantoorhoudend te Maastricht,

tegen

1. Vereniging De Buitenkans, gevestigd te Almere, hierna: De Buitenkans, geïntimeerde in het  principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, 2. De Alliantie Woningfonds B.V., gevestigd te Huizen, hierna: De Alliantie, geïntimeerde in het principaal hoger beroep,  in eerste aanleg: gedaagde, hierna gezamenlijk te noemen: De Buitenkans c.s.,  advocaat: mr. W. Vos, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 maart 2017 hier over.

1.2 Ingevolge dit tussenarrest heeft op 20 november 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.4 [appellanten 1 t/m 4] c.s. vorderen in het principaal hoger beroep, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, primair, hun oorspronkelijke vorderingen alsnog zal toewijzen, subsidiair, De Buitenkans zal veroordelen tot overname van hun mandelige aandelen, met veroordeling van De Buitenkans c.s. in de proceskosten.

1.5 De Buitenkans vordert in het incidenteel hoger beroep dat het hof [appellant1] en [appellante2] zal veroordelen tot betaling aan De Buitenkans van € 3.393,88, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente en voorts tot betaling van de in de toekomst door de vergadering van deelgenoten vastgestelde deelgenotenbijdrage.

2 De vaststaande feiten

2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de vaststaande feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis van 26 augustus 2015. In aanvulling daarop zal het hof nog enige vaststaande feiten opnemen. Dit betekent dat het hof bij de beoordeling van deze zaak uitgaat van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten.

2.2 De Buitenkans is een ecologische wijk met 55 houtskeletbouwwoningen met een binnenterrein in de Stripheldenbuurt in Almere Buiten. De wijk is in twee fasen gebouwd; 48 huizen (fase 1) in collectief particulier opdrachtgeverschap (door De Buitenkans) en 7 kavels (fase 2) in individueel opdrachtgeverschap. Fase 1 startte in mei 2005; de laatste woningen van deze fase zijn in februari 2007 opgeleverd. Fase 2 is hierna gestart. Het binnenterrein is bestemd tot mandeligheid. De 55 eigenaren van de woningen hebben allen een aandeel in het mandelig terrein dat 6 percelen grond omvat met als bestemming: groenstrook, wandelpad, biotoop, ecologische vijver, buurthuis, motorhome en parkeerterrein.

2.3 Door middel van een akte van levering, gedateerd 13 april 2005 (hierna de akte), heeft De Buitenkans aan [appellant1] een perceel bouwgrond in deze wijk verkocht en geleverd, kadastraal bekend gemeente Almere sectie [Y] nummer [0000] , en tevens 1/59e onverdeeld aandeel (later is dat feitelijk 1/55e onverdeeld aandeel geworden) in de zes percelen van het mandelig terrein.

2.4 Door middel van een akte van levering van 29 juli 2007 (hierna de akte) heeft De Alliantie aan [appellant3] en [appellante4] verkocht en geleverd een perceel bouwgrond in dezelfde wijk, kadastraal bekend gemeente Almere, sectie [Y] , nummer [0001] (gedeeltelijk) en tevens 1/59e onverdeeld aandeel (later is dat feitelijk 1/55e onverdeeld aandeel geworden) in voornoemde zes percelen van het mandelig terrein.

2.5 In beide akten is tevens de akte van levering en vestiging mandeligheid, van dezelfde datum, integraal opgenomen. In laatstbedoelde akte wordt onder het kopje “Bepalingen met betrekking tot Mandeligheid” in artikel 1 lid 3b bepaald:

“Het onderhoud van de mandelige zaak zal namens de deelgenoten geschieden door een (op te richten) Vereniging van Eigenaren (VVE) van de mandelige zaak”.

2.6In de akten is ook het van toepassing zijnde “Reglement Mandelige zaak 3.T3.1” (hierna het Reglement) integraal opgenomen. In dit Reglement wordt onder meer het volgende bepaald:

“(…)

Artikel 3: Gebruik

  1. De mandelige zaak is bestemd om te worden gebruikt als:

– Vijver (…);

– Buurthuis met als doel de deelgenoten een ontmoetingsplek te bieden alsmede om activiteiten te kunnen organiseren waaraan de ledenvergadering haar goedkeuring hecht.

– Motorhome met als doel een veilige en beschermende stalling te kunnen bieden voor motoren, scooters en dergelijke.

(…)

Artikel 5: Beheer

  1. Als beheerder wordt aangewezen: vereniging De Buitenkans. (…)
  2. Onder beheer wordt verstaan het verrichten van alle handelingen welke dienstig kunnen zijn voor de instandhouding van de mandelige zaak, waaronder is begrepen het aannemen van aan de mandelige zaak verschuldigde prestaties.
  3. (…)
  4. De beheerder is bevoegd tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van de mandelige zaak en in het algemeen tot handelingen die geen uitstel kunnen lijden. (…)

Artikel 6: Andere handelingen

Tot alle andere handelingen dan beheershandelingen zijn de deelgenoten slechts

gezamenlijk bevoegd.

Artikel 7: Nadere regels omtrent het gebruik en beheer

  1. (…)
  2. De overeenkomstig het vorige lid bijeengeroepen vergadering is – mits ten minste twee derde van de deelgenoten aanwezig of vertegenwoordigd is – bevoegd om – bij volstrekte meerderheid van stemmen, mits schriftelijk, besluiten te nemen, waarbij nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
  1. het gebruik van de mandelige zaak;
  2. het beheer van de mandelige zaak.

(…)

Aanvullende bepaling mandeligheid

De gemeente en de koper zijn tevens overeengekomen dat diegene(n) die een aandeel in de mandelige zaak gerelateerd aan het hoofdperceel van een van de bouwnummers 15,16, 25 en 26 heeft (hebben) en dus deelgenoten is in de mandeligheid zijn/haar rechten en verplichtingen geheel of gedeeltelijk kan delegeren aan een huurder van een van de kavels met bouwnummers 15, 16, 25 en 26.

(…)”

2.7 In het verslag van de ledenvergadering van De Buitenkans van 13 juli 2006 is het volgende opgenomen:

“(…)

  1. Beheersvereniging

Het bestuur heeft een notitie rondgestuurd over dit punt. Het is een beetje een

formeel juridische zaak. Ellis geeft toelichting.

Vereniging De Buitenkans is begonnen als vereniging van opdrachtgevers. Wij gaan nu verder als beheersvereniging van het mandelig gebied.

De akte van levering bevat bepalingen over de beheerder van de mandelige zaak.

In artikel I 3b staat: “Het onderhoud van de mandelige zaak zal namens de deelgenoten geschieden door een (op te richten) Vereniging Van Eigenaren (VVE) van de mandelige zaak.”

In artikel 5.1 staat: “Als beheerder wordt aangewezen vereniging De Buitenkans”.

Om de relatie tussen vereniging De Buitenkans en de genoemde bepalingen in de

leveringsakte vast te leggen, moeten we de volgende besluiten nemen.

Besluit

  1. Vereniging De Buitenkans, opgericht op 2 oktober 2001, is de in de akte van levering onder bepalingen met betrekking tot mandeligheid, artikel 1,3b genoemde VVE van de mandelige zaak.
  2. Vereniging De Buitenkans is beheerder is van de mandelige zaak, zoals vermeld in

artikel 5,1 van de akte van levering.

Beide besluiten worden met algemene stemmen genomen.(…)”

2.8 Tussen partijen is vervolgens onenigheid ontstaan over de uitleg van artikel 6 van het Reglement, in het bijzonder de vraag of de ledenvergadering uitsluitend bij unanimiteit mag beslissen over niet-beheerszaken, zoals de bouw van het buurthuis. Voor de bouw van het buurthuis is in februari 2005 een bouwvergunning afgegeven. Na de realisatie (in 2005) van het fundament van het buurthuis is de bouw daarvan stilgelegd vanwege een verschil van inzicht tussen een aantal eigenaren en het bestuur van De Buitenkans over de betekenis van voornoemd artikel 6 en over de vraag of huurders daarover ook mochten meebeslissen. In mei 2007 heeft de ledenvergadering van De Buitenkans besloten om het buurthuis af te bouwen waartoe een buurthuiscomité is ingesteld. Voorstellen van dit comité hebben in 2009 niet geleid tot besluitvorming.

2.9 Op 29 maart 2011 heeft de ledenvergadering van De Buitenkans besloten om een buurthuiscommissie opdracht te geven om een nieuw te plan te maken voor het afbouwen van het buurthuis volgens het oorspronkelijke ontwerp. Deze commissie diende daartoe een alomvattend plan te maken en te presenteren aan de ledenvergadering. Op 29 november 2011 heeft de ledenvergadering het bestuur opdracht gegeven om het buurthuis volgens het plan van deze commissie af te bouwen. Dit besluit is genomen met 46 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 3 onthoudingen. Het buurthuis is vervolgens afgebouwd. Het beoogde motorhome is niet gebouwd.

2.10 Op 14 maart 2014 hebben [appellanten 1 t/m 4] c.s. door middel van een brief van hun raadsman De Buitenkans c.s. gesommeerd om binnen een maand na die datum een vereniging van eigenaren op te richten en in een reglement vast te leggen wat onder beheershandelingen wordt verstaan. De Buitenkans c.s. worden daarbij tevens gesommeerd om het buurthuis met onmiddellijke ingang niet langer extern te verhuren en de herinrichting van het terrein rondom het buurthuis te staken en verder om ervoor te zorgen dat binnen één maand na dagtekening van de brief een aanduiding “eigen weg” is geplaatst en het motorhome is opgericht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1 [appellant1] en [appellante2] hebben in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de overeenkomst tussen hen en De Buitenkans ten aanzien van de mandeligheid partieel wordt ontbonden en daarnaast dat De Buitenkans wordt veroordeeld tot betaling aan hen van € 17.945,09, vermeerderd met rente en kosten.

3.2 [appellant3] en [appellante4] hebben in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de overeenkomst tussen hen en De Alliantie ten aanzien van de mandeligheid partieel wordt ontbonden en dat De Buitenkans wordt veroordeeld tot betaling aan hen van € 18.461,32, vermeerderd met rente en kosten.

3.3 De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft de vorderingen bij het bestreden vonnis van 26 augustus 2015 afgewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1 [appellanten 1 t/m 4] c.s. hebben dertien grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis van 26 augustus 2015, waarin de kantonrechter in de beide procedures ( [appellant1] en [appellante2] tegen De Buitenkans enerzijds en [appellant3] en [appellante4] tegen De Alliantie en De Buitenkans anderzijds) de vorderingen heeft afgewezen. In de memorie van grieven hebben [appellanten 1 t/m 4] c.s. aangegeven dat zij hun in eerste aanleg verdedigde stelling dat De Buitenkans niet als VVE kan worden beschouwd, laten vallen. Alleen al op deze grond kan grief 1verder buiten beschouwing blijven, zoals [appellanten 1 t/m 4] c.s. ook hebben aangegeven.

Wanprestatie door De Buitenkans en De Alliantie? De grieven 3, 9 en 12

4.2 Het hof zal eerst de grieven 3, 9 en 12 bespreken die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank in beide zaken (zie daarvoor de overwegingen 4.6 en 7.9 van het bestreden vonnis) dat de vorderingen van [appellanten 1 t/m 4] c.s. tegen De Buitenkans en De Alliantie moeten worden afgewezen, aangezien De Buitenkans en De Alliantie als verkopers van de bouwpercelen, inclusief een aandeel in de mandeligheid, jegens [appellanten 1 t/m 4] c.s. geen wanprestatie hebben gepleegd doordat (de ledenvergadering van) De Buitenkans als VVE besluiten over andere dan beheerszaken niet met unanimiteit neemt.

4.3 [appellanten 1 t/m 4] c.s. vorderen partiële (alleen ten aanzien van de mandeligheid) ontbinding van hun koopovereenkomsten met De Buitenkans respectievelijk De Alliantie en terugbetaling door De Buitenkans van het door hen als deelgenoten betaalde.

4.4 [appellant1] en [appellante2] baseren deze vorderingen op hun stelling dat De Buitenkans destijds als verkopende partij naast de eigendom van het bouwperceel aan hen 1/59e onverdeeld aandeel in het mandelig gebied heeft overgedragen. Daarbij is hen voorgehouden en mochten zij er dus vanuit gaan dat de ledenvergadering van De Buitenkans slechts bij unanimiteit zou beslissen over niet-beheerszaken. In artikel 6 van het Reglement wordt dit ook voorgeschreven. De Buitenkans, die ook de VVE is, heeft er niet voor gezorgd dat er in bedoelde zaken met unanimiteit wordt beslist en is daarom in verzuim ter zake van de nakoming van de koopovereenkomst, omdat sprake is van een gebrekkige levering. Het feit dat De Buitenkans twee verschillende rollen heeft, die van verkoper en die van VVE, maakt dit volgens [appellant1] en [appellante2] niet anders.

4.5 [appellant3] en [appellante4] baseren hun vordering tot partiële (alleen ten aanzien van de mandeligheid) ontbinding van de koopovereenkomst met De Alliantie op dezelfde argumentatie, met dien verstande dat zij De Alliantie verwijten dat deze hen ten tijde van de verkoop er niet voor heeft gewaarschuwd dat unanimiteit in de besluitvorming binnen de ledenvergadering van De Buitenkans niet was gewaarborgd en verder dat De Alliantie er als belangrijk lid van de VVE niet voor heeft gezorgd dat in de ledenvergadering van De Buitenkans bij unanimiteit werd beslist over niet-beheerszaken.

4.6 Het hof overweegt hieromtrent dat de vordering tot partiële ontbinding slechts kan worden gebaseerd op het door De Buitenkans en De Alliantie niet behoorlijk nakomen van de koopovereenkomsten met [appellant1] en [appellante2] respectievelijk [appellant3] en [appellante4] . Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De Buitenkans en De Alliantie hebben als verkopers bij de overeenkomst immers geleverd wat zij uit hoofde van die overeenkomst behoorden te leveren, te weten een bouwperceel en 1/59e onverdeeld aandeel in het mandelig gebied. De wijze waarop binnen het kader van de VVE besluitvorming over de inrichting en exploitatie van het mandelig gebied plaatsvindt, vormt geen onderdeel van de verkoopovereenkomst, maar maakt deel uit van de rechtsverhouding tussen de VVE en haar leden. Dat in de ledenvergadering van de VVE over andere zaken dan beheer niet met unanimiteit wordt beslist, vormt, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat dit in strijd met artikel 6 Reglement zou zijn, dan ook geen grond voor de conclusie dat De Buitenkans en De Alliantie zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit genoemde koopovereenkomsten.

4.7 De omstandigheid dat De Buitenkans ten aanzien van [appellant1] en [appellante2] niet alleen verkoper was, maar ook de VVE vormt, maakt dit niet anders, omdat de verkoop aan [appellant1] en [appellante2] en de besluitvorming binnen de VVE twee van elkaar te onderscheiden rechtsverhoudingen betreffen. Het verwijt dat De Alliantie [appellant3] en [appellante4] ten tijde van de koop er niet voor heeft gewaarschuwd dat binnen de VVE unanieme besluitvorming niet was gewaarborgd, kan om dezelfde reden geen grond opleveren voor een partiële ontbinding van de koopovereenkomst. De stelling van [appellant3] en [appellante4] dat De Alliantie heeft verzuimd om als belangrijk lid van de VVE ervoor te zorgen dat unaniem zou worden besloten over niet-beheerszaken, stuit reeds af op de omstandigheid dat zij daarvoor de verkeerde partij hebben gedagvaard. Immers, als gesteld en niet (gemotiveerd) weersproken staat vast dat niet De Alliantie lid is van de VVE, maar Stichting De Alliantie, aan wie De Alliantie de door haar aangekochte woningen en onverdeelde aandelen vrijwel direct na aankoop heeft overgedragen.

4.8 Op grond van al het voorgaande komen de vorderingen van [appellanten 1 t/m 4] c.s. tot partiële ontbinding van de koopovereenkomsten en terugbetaling van door hen gedane betalingen met betrekking tot het mandelig gebied niet voor toewijzing in aanmerking. De in hoger beroep door [appellanten 1 t/m 4] c.s. geformuleerde subsidiaire vordering kan op dezelfde gronden evenmin worden toegewezen, waarbij nog komt dat De Buitenkans geen eigenaar is, terwijl een aandeel in een mandelige zaak afzonderlijk van het eigen erf op de voet van artikel 5:66 lid 1 BW slechts kan worden overgedragen aan een mede-eigenaar. De grieven 3, 9 en 12 falen.

De overige grieven behoeven geen behandeling meer

4.9 De grieven 2, 4, 5, 6, 10 en 11 betreffen het oordeel van de rechtbank over diverse geschilpunten tussen partijen: de vraag of de ledenvergadering van De Buitenkans wel of niet bij unanimiteit moet besluiten over niet-beheerskwesties, de vraag of de vordering tot partiële ontbinding en terugbetaling is verjaard en de vraag of huurders in de ledenvergadering kunnen meestemmen over financiële aangelegenheden. Gelet op overweging 4.8 van dit arrest behoeven deze vragen geen beantwoording meer en kunnen deze grieven daarom buiten beschouwing worden gelaten. Grief 8 (motivering van de vordering in eerste aanleg) en de grieven 7 en 13 (proceskosten) missen zelfstandige betekenis.

De vordering van De Buitenkans in reconventie

4.10 In haar memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met eiswijziging heeft De Buitenkans aangevoerd (grief 1) dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat zij haar reconventionele vordering in eerste aanleg had ingetrokken. Volgens De Buitenkans heeft zij die vordering niet ingetrokken, maar verminderd tot nihil en wenst zij die in incidenteel hoger beroep weer te vermeerderen. De Buitenkans verwijst in dit verband naar een arrest van het hof Amsterdam van 5 juni 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7896), waarin volgens haar onder dergelijke omstandigheden een reconventionele vordering in hoger beroep is toegelaten. De Buitenkans vordert hierbij betaling van een bedrag van € 3.393,88, te vermeerderen met € 1.016,33 aan buitengerechtelijke incassokosten en rente.

4.11 Het hof overweegt ten aanzien van deze incidentele grief dat De Buitenkans in eerste aanleg in punt 70 van haar conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende eis in reconventie het volgende heeft geschreven:

“(…) [appellant3] en [appellant1] komen diverse betalingsverplichtingen jegens de VVE niet na. Naast de vorderingen in hoofdsom zijn [appellant3] en [appellant1] op grond van artikel 3.8.2 een boete verschuldigd van € 50 per dag dat de niet-nakoming voortduurt. De VVE dient dat nog even te becijferen en zal zulks bij akte nader inbrengen. (…)”

4.12 Vervolgens heeft De Buitenkans in punt 44, conclusie van dupliek in conventie, onder het kopje “Reconventie” het volgende opgemerkt:

“VDB (hof: De Buitenkans) laat de reconventionele vordering even voor wat zij is. [appellant1] betaalt veel bedragen weliswaar niet, maar die vordering gaat het bestek van de onderhavige procedure te buiten.”

De kantonrechter heeft (overweging 1.2 van het bestreden vonnis) daaruit opgemaakt dat deze vordering is ingetrokken.

4.13 Het hof is van oordeel dat de wijze waarop De Buitenkans in haar conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende eis in reconventie haar eis in reconventie heeft geformuleerd wellicht nog tot de conclusie zou kunnen leiden dat zij die vordering vooralsnog op nihil heeft gesteld. De Buitenkans heeft echter vervolgens bij dupliek expliciet gesteld dat de vordering het bestek van de onderhavige procedure te buiten ging. Dat is een wezenlijk ander procedureel standpunt over de vordering dan een “nihilstelling” daarvan. De kantonrechter heeft dan ook op juiste gronden geconcludeerd dat De Buitenkans die vordering heeft ingetrokken. Grief 1 in het incidenteel appel treft dan ook geen doel. Dat betekent ook dat De Buitenkans in hoger beroep voor het eerst een reconventionele vordering heeft ingesteld, hetgeen ingevolge artikel 353 lid 1 Rv niet is toegestaan, zodat De Buitenkans in haar incidenteel hoger beroep niet kan worden ontvangen.

5 De slotsom

5.1 De grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep falen, terwijl De Buitenkans niet-ontvankelijk is in haar eis in reconventie, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten 1 t/m 4] c.s. in de kosten van het principaal hoger beroep en De Buitenkans in de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van De Buitenkans c.s. zullen worden vastgesteld op:

– griffierecht € 1.937,-

– salaris advocaat € 2.235,- (2,5 punten x tarief II)

Totaal € 4.172,-

De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant1] en [appellante2] zullen worden vastgesteld op:

– griffierecht € nihil

– salaris advocaat € 894,- (2 punten x 0,5 x tarief II)

Totaal € 894,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart De Buitenkans niet-ontvankelijk in haar eis in reconventie;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van

26 augustus 2015;

veroordeelt [appellanten 1 t/m 4] c.s. in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Buitenkans c.s. vastgesteld op € 1.937- voor verschotten en op € 2.235,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

veroordeelt De Buitenkans in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant1] en [appellante2] vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Keur, L. Janse en I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

19 december 2017.

Bron: Rechtspraak.nl

Tags:
0 Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Neem contact op met VvE Centraal

U kunt dit formulier gebruiken om contact op te nemen met VvE Centraal

Wordt verstuurd

wit logo-01

©2018 VvE Centraal, onderdeel van Blue Orange Participaties B.V.

Login met je gegevens

of    

Je gegevens vergeten?

Create Account