Geldt een verbod op honden ook voor bezoekers?

Geldt een verbod op honden ook voor bezoekers

Samenvatting

“In deze kwestie speelde de vraag of het verbod op huisdieren wat vastgelegd is in het Huishoudelijk Reglement van een VvE ook van toepassing is op honden van bezoekers. Aanvullend op deze vraag is of aan de termijn van een maand om een besluit terug te draaien voldaan is.

Een VvE heeft sinds 12 augustus 2015 een Huishoudelijk Reglement waarin het houden van honden verboden is. Er wordt een uitzondering gemaakt voor gecertificeerde honden. In een BALV wordt dit verbod nader gespecificeerd in

Sinds 12 augustus 2015 zijn honden verboden in het gehele complex. Dit geldt zowel in de gemeenschappelijke gedeelten als in de privé-gedeelten. Voor een gecertificeerde hulphond wordt (na schriftelijke toestemming van het bestuur) een uitzondering gemaakt.

De ene partij geeft aan dat er initieel niet bepaald was dat het verbod ook geldend is voor honden van bezoek. Daarnaast geeft zij aan dat ze het besluit wil terugdraaien en daarbij de termijn van een maand heeft gebruikt. De VvE is het hiermee niet eens en geeft aan dat het verbod ook geldend is voor honden van bezoek. De VvE heeft in redelijkheid kunnen komen tot de beslissing om het reeds geldende, door verzoeker geaccepteerde, verbod om in het complex honden te houden, uit te breiden tot een algeheel, ook voor bezoekers geldend, verbod om honden mee te nemen in het complex. De persoonlijke levenssfeer van verzoeker/appartementseigenaren wordt daardoor niet aangetast in een mate die in strijd is met artikel 8 EVRM.

 

 

Uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT beschikking d.d. 20 juni 2018

in de zaak van

[verzoeker] , wonende te [woonplaats 1], verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. R.E. van de Hoef, advocaat te Almere,

t e g e n :

[verweerster] ,statutair gevestigd te [woonplaats 2] , verweerster, hierna te noemen de [verweerster] , gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  1. het op 18 januari 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;
  2. het op 8 mei 2018 ontvangen verweerschrift met producties;
  3. de brief van de gemachtigde van verzoeker van 11 met 2018 met productie 4;
  4. e pleitaantekeningen van de gemachtigde van verzoeker van 15 mei 2018;
  5. de pleitaantekeningen van de gemachtigde van verweerster van 15 mei 2018;
  6. de aantekeningen van de griffier van de terechtzitting van 15 mei 2018;
  7. de brief van de gemachtigde van verzoeker van 29 mei 2018.

1.2. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

1.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:130 lid 3 BW zijn, naast verzoeker en verweerster, alle stemgerechtigde leden van de [verweerster] voor de zitting opgeroepen. In de aantekeningen van de griffier is vermeld wie zijn verschenen en gehoord.

2 De feiten

2.1 [verzoeker] is per [datum] 2017 rechthebbende van het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de vierkamerwoning op de derde verdieping van het appartementengebouw, staande en gelegen aan het [adres] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats + nummer] .

2.2 Het appartementengebouw is gesplitst in appartementen door inschrijving van de splitsingsakte in de openbare registers op 25 september 1996. Daarmee werd de bovengenoemde [verweerster] opgericht.

2.3 De splitsingsakte bevat tevens een splitsingsreglement. In het reglement is bepaald:

G. Gebruik, beheer en onderhoud van de privé gedeelten.

Artikel 17.

  1. […]
  2. Bij huishoudelijk reglement kan het gebruik van de privé gedeelten nader geregeld worden.
  3. […]”

N. Huishoudelijk Reglement.

Artikel 45.

  1. De vergadering kan een huishoudelijk reglement vaststellen ter regeling van de volgende onderwerpen:
  2. Het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken: de regels als bedoeld in artikel 5:128 Burgerlijk Wetboek moeten in het huishoudelijk reglement worden opgenomen en daarvan deel uitmaken.
  3. Het gebruik van privé gedeelten;
  4. […]
  5. Al hetgeen overigens naar het oordeel van de vergadering regeling behoeft;

[. . .]

  1. Het huishoudelijk reglement kan door de vergadering slechts worden vastgesteld, gewijzigd en aangevuld met een meerderheid van tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is dat tenminste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen.[…]”

2.4.Door de ALV is een huishoudelijk reglement vastgesteld. Het splitsingsreglement en het huishoudelijk reglement versie 1 juli 2015, zoals vastgesteld in de BALV van 12 augustus 2015, alsmede de notulen van de buitengewone algemene ledenvergadering (hierna: BALV) van 12 augustus 2015 zijn bij de koop van het appartement aan [verzoeker] ter hand gesteld. In artikel 3.8 van het huishoudelijk reglement was een verbod tot het houden van honden opgenomen. Dit verbod was als volgt geformuleerd:

“Hoofdstuk 3. Geluidhinder/hinder in het algemeen

[. .]

  1. Het houden van honden is niet toegestaan. Een gecertificeerde hulphond is wel toegestaan.

[. .]”

2.5 . Begin december 2017 is de BALV aangekondigd, waarbij gestemd zou worden over een voor de BALV van 15 november 2017 voorgestelde wijziging van het huishoudelijk reglement. In de BALV van 20 december 2017 is vóór de voorgestelde wijziging gestemd. Op 28 december 2017 is het aangepaste reglement aan [verzoeker] toegezonden. De gewijzigde bepaling betreffende huisdieren luidt als volgt:

“Hoofdstuk 2. Toegang, hinder, orde en netheid, huisdieren.

[. . .]

2.4

Huisdieren

Sinds 12 augustus 2015 zijn honden verboden in het gehele complex. Dit geldt zowel in de gemeenschappelijke gedeelten als in de privé-gedeelten. Voor een gecertificeerde hulphond wordt (na schriftelijke toestemming van het bestuur) een uitzondering gemaakt.

Daarnaast geldt voor bewoner van nummer 95 een gedoogconstructie.

Die twee honden waren al aanwezig bij de wijziging van het huishoudelijk reglement.”

3 Het verzoek

3.1 Het verzoek strekt tot het vernietigen dan wel vernietigd verklaren van het besluit van de [verweerster] , van 20 december 2017 tot het opnemen in het huishoudelijk reglement van voornoemd artikel 2.4.

3.2 [verzoeker] stelt dat hij ten tijde van de koop van het appartement bekend was met het destijds geldende artikel 3.8 van het huishoudelijk reglement, dat het houden van honden verbood. Dat verbod, dat hij heeft opgevat als een verbod om als appartementseigenaar een eigen hond permanent aanwezig te hebben in het appartement, heeft hij geaccepteerd.

3.3 Het gewijzigde huisdierenverbod, dat inhoudt dat het ook niet is toegestaan dat bezoekers een hond meenemen in het complex, gaat naar de mening van [verzoeker] te ver en levert voor hem een probleem op. [verzoeker] bewoont het appartement [………………….] . Op de dagen dat [………………….] thuis is en [verzoeker] naar zijn werk moet, komt de vriendin van [verzoeker] in huis om bij de [………………….] te zijn. Dat is ongeveer 1 tot 3 dagen per week. De vriendin, die op 40 minuten rijden woont, heeft een klein hondje. Zij is genoodzaakt haar hondje mee te nemen als zij komt om de kinderen op te vangen.

3.4 Onder het gewijzigde huishoudelijk reglement is dat niet toegestaan. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat daardoor een vergaande inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke vrijheid om zijn dagelijks leven op praktische wijze vorm te geven, waarbij hij manieren moet vinden om de zorg en veiligheid van zijn inwonende [………………….] te garanderen terwijl hij aan het werk is.

3.5 Door het gewijzigde verbod op honden worden appartementseigenaren beperkt in hun mogelijkheden om bezoekers die in het bezit zijn van een hond te ontvangen. Aldus wordt volgens hem een vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM van de individuele leden van de [verweerster] .

3.6 Het belang van de [verweerster] om het leef- en woongenot van de bewoners te beschermen kan volgens [verzoeker] voldoende worden beschermd door alleen te verbieden dat honden in het complex “wonen”.

3.7 [verzoeker] acht het besluit van de [verweerster] om met artikel 2.4 een algeheel hondenverbod in het huishoudelijk reglement op te nemen in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat zijn belang daardoor onevenredig wordt geschaad vergeleken met het belang van de [verweerster] dat daardoor wordt gediend.

4 Het verweer

4.1 De [verweerster] heeft tegen het verzoek verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing daarvan, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure.

4.2 Het meest verstrekkende verweer van de [verweerster] is dat de termijn om vernietiging te vragen van het besluit waarbij het hondenverbod is ingesteld voor [verzoeker] reeds was verstreken op het moment dat hij zijn verzoekschrift indiende. De [verweerster] stelt dat met het besluit van 20 december 2017 materieel niets is veranderd en dat het algehele hondenverbod al bij besluit van 12 augustus 2015 in het huishoudelijk reglement is opgenomen. De in december 2017 gewijzigde redactie is slechts een verduidelijking van het sinds 12 augustus 2015 reeds geldende algehele verbod. Van dat verbod was [verzoeker] in elk geval op het moment dat hij het appartement kocht reeds op de hoogte, zodat de in artikel 5:130 lid 2 BW gestelde termijn van een maand na de dag dat hij van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennisnemen op zijn laatst op dat moment is gaan lopen.

4.3 Volgens de [verweerster] heeft [verzoeker] ook geen belang bij zijn verzoek omdat, indien het besluit van 20 december 2017 zou worden vernietigd, het hondenverbod zoals opgenomen in de vorige versie van het huishoudelijk reglement herleeft, dat dezelfde strekking heeft. Met toepassing van artikel 3:303 BW dient het verzoek om die reden te worden afgewezen.

4.4 Voor zover de kantonrechter van oordeel zou zijn dat het hondenverbod bij besluit van 20 december 2017 is uitgebreid, zodat het eerst vanaf dat moment ook honden van bezoekers betreft, stelt de [verweerster] zich op het standpunt dat dit algehele hondenverbod, ook in het licht van artikel 8 EVRM, niet onaanvaardbaar is. [verzoeker] was bekend met het hondenverbod zoals dat sinds 12 augustus 2015 was opgenomen in het huishoudelijk reglement. Hij wist dus hoe de leden van de [verweerster] dachten over honden in het complex en had voor aankoop van het appartement onderzoek kunnen doen naar de reikwijdte ervan, voor zover die al niet aanstonds duidelijk was. Dat hij dat heeft nagelaten dient voor zijn risico te komen.

4.5 De [verweerster] voert verder aan dat zij alle begrip heeft voor de moeilijke situatie van [verzoeker] , maar dat het hondenverbod niet betekent dat zijn vriendin niet [………………….] kan opvangen. Zij mag daarbij alleen niet haar hondje meenemen. Niet valt in te zien waarom zij niet, zoals veel andere hondenbezitters, opvang zou kunnen regelen voor haar hond.

4.6 Daartegenover staat het zwaarwegende belang van de [verweerster] bij behoud van het algehele hondenverbod ter bescherming van de gezondheid van haar leden en de hygiëne in het complex en ter voorkoming van stank- en geluidsoverlast. Als honden van bezoekers wel zouden moeten worden toegelaten is het verbod in feite illusoir geworden.

5 De beoordeling

5.1 De kantonrechter kan op grond van artikel 5:130 lid 1 in samenhang met artikel 2:15 BW een besluit van de [verweerster] vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Toetsingsmaatstaf met betrekking tot de inhoud van een besluit is de vraag of het orgaan, de [verweerster] in dit geval, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

5.2 Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer voor [verzoeker] de in artikel 5:130 BW gestelde termijn van een maand is gaan lopen en of hij belang heeft bij het onderhavige verzoek, welke vragen samenhangen met het verschil van mening over de reikwijdte van het sinds 12 augustus 2015 in het huishoudelijk reglement opgenomen hondenverbod en de kenbaarheid daarvan voor [verzoeker] .

5.3 Beide partijen hebben ter zitting echter ook laten blijken duidelijkheid te willen krijgen over de kern van het geschil, te weten de toelaatbaarheid van het algehele hondenverbod, ook honden van bezoekers betreffende, zoals dat met het besluit van 20 december 2017 in het huishoudelijk reglement is opgenomen.

5.4 Om deze reden en in aanmerking genomen dat, gelet op het hierna te geven oordeel, het belang van de [verweerster] daardoor niet wordt geschaad, passeert de kantonrechter de verweren van de [verweerster] gebaseerd op het argument dat met het besluit van 20 december 2017 in materieel opzicht niets is veranderd en dat [verzoeker] geacht kan worden uiterlijk ten tijde van de aankoop van het appartement te hebben geweten dan wel te hebben kunnen weten dat het verbod ook gold ten aanzien van honden van bezoekers.

5.5 De kantonrechter gaat er daarom voor de hierna volgende beoordeling van uit dat door het besluit van 20 december 2017 de strekking van het reeds eerder geldende hondenverbod is uitgebreid in die zin, dat het thans geformuleerde verbod, anders dan voorheen, ook honden van bezoekers betreft.

5.6

De vraag die dan beantwoord moet worden is of de [verweerster] bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing het hondenverbod uit te breiden tot honden van bezoekers.

5.7 De [verweerster] dient het woon- en leefklimaat van haar leden te beschermen. Uit het reeds eerder in het huishoudelijk reglement opgenomen verbod tot het houden van honden in het complex blijkt, dat in elk geval het merendeel van de leden geen prijs stelt op de aanwezigheid van honden in het complex, vanwege de hinder, in de vorm van stank- en geluidsoverlast en mogelijke bevuiling, die daarmee gepaard kan gaan. Daarvan uitgaande heeft de [verweerster] een zwaarwegend belang om ook honden van bezoekers te weren. Ook die kunnen immers hinder opleveren, zowel in de afzonderlijke appartementen als in de gemeenschappelijke ruimten. In dat verband is relevant dat er, zoals onweersproken door de [verweerster] , slechts één ingang is, via welke de appartementen te bereiken zijn. Ook het argument van de [verweerster] dat een alleen voor de honden van eigenaren geldend verbod niet goed te handhaven zou zijn, omdat het met [getal] appartementen haast ondoenlijk is bij te houden welke honden in het complex “wonen” en welke van bezoekers zijn, legt gewicht in de schaal.

5.8 Daartegenover staat het belang van [verzoeker] , die voor de opvang en zorg voor zijn [………………….] één tot drie keer per week afhankelijk is van de bereidheid van zijn vriendin om naar zijn appartement te komen als hij moet werken terwijl zijn [………………….] thuis is. De vriendin wil/moet daarbij haar hondje mee te nemen. Om die reden heeft [verzoeker] er belang bij dat het besluit tot uitbreiding van het hondenverbod ten aanzien van honden van bezoekers wordt vernietigd.

5.9 De kantonrechter merkt in dit verband op dat het onderhavige verzoek strekt tot vernietiging van het besluit tot uitbreiding van het hondenverbod ten aanzien van alle honden van bezoekers. Onderwerp van het onderhavige geschil is niet of de redelijkheid en billijkheid eisen dat de aanwezigheid van alleen de hond van de vriendin van [verzoeker] wordt gedoogd. Dat zou eerst aan de orde kunnen komen als [verzoeker] bij de [verweerster] een verzoek zou indienen om ten aanzien van de hond van zijn vriendin een gedoogconstructie te hanteren en de [verweerster] daarover een besluit zou nemen.

5.10 Het gaat er thans om of de [verweerster] bij afweging van haar belang om haar leden te beschermen tegen hinder van honden tegenover het belang van [verzoeker] om het hondje van zijn vriendin enkele malen per week in zijn appartement te mogen laten verblijven, in redelijkheid heeft kunnen besluiten het hondenverbod uit te breiden naar alle honden, ook die van bezoekers. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat het algemene hondenverbod er op zichzelf niet aan de in weg staat dat de vriendin van [verzoeker] enkele malen per week in zijn appartement komt om [………………….] op te vangen. Alleen mag zij daarbij haar hond niet meenemen. Dat kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als een inbreuk op de door artikel 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] en/of zijn vriendin. Eigenaars van honden zullen in het algemeen rekening moeten houden met het feit dat zij hun hond niet altijd overal mee naartoe kunnen nemen. Dat geldt ook voor de vriendin van [verzoeker] . Van haar kan in alle redelijkheid worden gevergd dat zij, voor de keren dat zij in het appartement van [verzoeker] moet zijn, een oplossing zoekt voor de opvang van haar hondje. Te denken valt aan opvangmogelijkheden binnen haar sociale netwerk of dat van [verzoeker] , dan wel bedrijfsmatig georganiseerde opvang. Gesteld noch gebleken is dat het voor de vriendin van [verzoeker] onmogelijk is haar hondje elders onder te brengen.

5.11 Om dezelfde reden, dat van hondenbezitters kan worden gevergd dat zij er rekening mee houden dat hun hond niet overal mee naar toe kan, is de kantonrechter van oordeel dat, anders dan [verzoeker] stelt, ook de persoonlijke levenssfeer van appartementseigenaren in het algemeen niet wordt aangetast in een mate die in strijd is met artikel 8 EVRM. Die eigenaren kunnen geacht worden, evenals [verzoeker] , het verbod tot het zelf in hun appartement houden van een hond te hebben geaccepteerd. Daarvan uitgaande is de uitbreiding van dat verbod tot honden van bezoekers niet een zodanige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer dat dit strijdig is met artikel 8 EVRM. De eigenaren kunnen immers nog steeds alle bezoekers ontvangen die zij willen, alleen mogen bezoekers die in het bezit zijn van hun hond, die hond niet mee naar binnen nemen.

5.12 Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen.

5.13 [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de [verweerster] gemaakt en tot en met vandaag vastgesteld op € 200,00 voor salaris van de gemachtigde van de [verweerster] .

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan de [verweerster] van de kosten van de procedure aan de zijde van de [verweerster] gevallen en tot op heden begroot op € 200,00;

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Geerits, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Bronvermelding

 

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Tags:
0 Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Neem contact op met VvE Centraal

U kunt dit formulier gebruiken om contact op te nemen met VvE Centraal

Wordt verstuurd

wit logo-01

©2018 VvE Centraal, onderdeel van Blue Orange Participaties B.V.

Login met je gegevens

of    

Je gegevens vergeten?

Create Account